Naar de inhoud

ANBI Logo

Subgroepen centraal tijdens ME-conferentie in Londen

De reikwijdte van de voor wetenschappelijke doeleinden bedoelde CDC-definitie maakt het noodzakelijk om subgroepen ME/CVS-patiënten te onderscheiden. Dit wordt inmiddels door veel onderzoekers onderkend. Onder leiding van Prof. Malcom Hooper komen 23 mei in Londen gezaghebbende ME/CVS deskundigen aan het woord, waaronder Dr. Leonard Jason, die onlangs vier subgroepen onderscheidde, Dr Martin Lerner - en last but not least Dr. Johanathan Kerr.
Voor de conferentie zie: http://www.investinme.org/Documents/MECFS%20Conference%202008/IiME%20MECFS%20Conference%202008%20Flyer.pdf

Jonathan Kerr, microbioloog en onderzoeker verbonden aan de St. George's University, heeft met behulp van genonderzoek subgroepen geïdentificeerd. Kerr keek naar genexpressie in het bloed aan de hand van de in eerder onderzoek geselecteerde 88 genen. Bij genexpressie gaat het om het maken van een eiwit op basis van de lettervolgorde van een gen. Eiwitten zijn eigenschappen: ze voeren voor ons lichaam belangrijke functies uit. Bacteriën, waaronder ook ziekteverwekkende bacteriën en virussen, laten regelmatig sporen na; ze brengen genen tot expressie.

Bij het doen van uitspraken over de relatie tussen genexpressie komt veel kansberekening kijken. Het is dan ook maar te hopen dat Kerr de juiste genen heeft geselecteerd. Met behulp van de statistische analyse (ANOVA) en geavanceerde software heeft Kerr het bestaan van zeven klinisch te onderscheiden subgroepen patiënten aangetoond. De onderzoekspopulatie bestond uit 55 patiënten, afkomstig uit klinieken in Dorset, Bristol, Londen en New York (V.S). Kerr maakte bij de identificatie van subroepen  tevens gebruik van - onder meer - de bekende SF-36 vragenlijst en van diverse neurocognitieve testen. De SF-36 vragenlijst wordt veel gebruikt bij het bepalen van de functionele beperkingen van ME/CVS-patiënten. De vragenlijst maakt onder meer onderscheid tussen ME/CVS en depressie.

Kerr benoemt de volgende subgroepen:
1: met cognitieve, spier-pees-botaandoeningen en slaap, angst en depressie; 
2: met spier-pees-botaandoeningen en pijn, angst en depressie; 
3: het z.g. milde type; 
4: met primair cognitieve problemen; 
5: met spier-pees-botaandoeningen en maag- en darmproblatiek; 
6: met primair inspanningsintolerantie en 
7: met pijn, infecties, spier-pees-botaandoeningen, slaapproblemen, neurologische problemen, maagdarmproblematiek, neurocognitieve problemen en angst en depressie.

Of Kerr alle ME/CVS-subgroepen in kaart heeft gebracht weten we niet. Dat zal moeten blijken uit grootschaliger onderzoek. Hoewel alle patiënten kampen met neurologische problemen verschilt het neurologische karakter van het ziektebeeld per subgroep. De patiënten die er het slechtst aan toe zijn vinden we in subgroep 1, 2 en 7.
De subgroepen met de meest ernstige ME/CVS-symptomen hebben tevens de meeste psychische problemen. Dit is ook bij andere lichamelijke ziekten het geval.
Sommige subgroepen (3, 5 en 7) bestonden geheel uit vrouwen. Bij subgroep 7, ME/CVS- vrouwen met een gemiddelde leeftijd van 47, is de hoeveelheid oestrogeen een factor van betekenis. In februari 2007 verscheen reeds een artikel van de Zweedse onderzoeker H. Gräns in het tijdschrift Journal of Clinical Virology waarin aandacht besteed wordt aan de mogelijk relevante relatie tussen een verminderde hoeveelheid intracellulaire oestrogeenreceptor en ME/CVS. De werking van de proteïne oestrogeen is sterk afhankelijk van de binding aan zo’n receptor en er bestaat een aanwijsbare relatie tussen de aanmaak van oestrogeen en vermoeidheid.

De hierboven genoemde 88 genen kunnen in verband gebracht worden met reeds bekende oorzakelijke factoren voor ME/CVS, zoals de infectie met enterovirussen en het Epstein-Barrvirus, de aanraking met giftige organofosfaten, de activatie van de T-cellen en de homeostase (van het immuunsysteem).

Het onderzoek van Kerr biedt hoop. De Engels wetenschapsjournalist Bob Ward verkondigde onlangs dat de aaan de hand van de 88 genen opgespoorde proteines in het bloed als biomarker kunnen fungeren.(zie: http://www.telegraph.co.uk/earth/main.jhtmlxml=/earth/2008/03/18/scime118.xml).

Het onderzoek biedt in de toekomst mogelijkheden voor behandeling, afgestemd op een vijftal 'bekende' genen. Kerr noemt in dit verband ook de potentiële werkzaamheid van een reeks voor andere ziektes gebruikte medicijnen. Voor de (partiële) behandeling van subgroep 2 bestaan er diverse medicijnen, waaronder de ontstekingsremmer (anti-TNF) Etanercept, waarmee reeds geëxperimenteerd is door Kristian Lamprecht (zie: http://www.cfs-news.org/aacfs-01.htm).

Kerr benoemt ook bij kanker gebruikte medicijnen Lonafarnib en Tipifarnib (voor alle subgroepen behalve 4) en Tocilizumab (voor alle subgroepen behalve 3), gebruikt bij auto-immuunziektes. Validering en replicatie van het onderzoek, dat in het decembernummer van het Journal of Clinical Virology gepubliceerd is, volgt.

Voor de engelstalige samenvatting van het onderzoek zie:
http://listserv.surfnet.nl/scripts/wa.exe?A2=ind07112B&L=me-platform&P=R2
Voor meer informatie over de stand van het wetenschappelijk onderzoek naar ME zie ook voordracht Prof. Hooper http://www.sheffieldmegroup.co.uk/Conference%20Report%202007.pdf

Binnenkort verschijnt een ander artikel van Kerr over dit onderwerp.

Voor informatie over etanercept zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Etanercept

Zie verder de samenvatting in pubmed van het artikel van H.Grans: http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/16731592?ordinalpos=3&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_RVDocSum
H.Grans e.a Reduced levels of oestrogen receptor beta mRNA in Swedish patients with chronis fatigue syndrome.
Journal of Clinical Virology, februari 2007

Nieuwsarchief

vergeetmeniet-folderVrouw met laptopVrouw aan het waterVergeetmeniet2Student

vrijwilligers gevraagd

LeesME blok

LeesME tijdschriften